Wij hebben geen Twee Naturen

Wanneer de Bijbel spreekt over een christen, wordt er nooit gesproken dat hij of zij een zondige natuur heeft. Er wordt gesproken van een “menselijke natuur” (Jac. 3:7), en het deelhebben aan de “goddelijke natuur” (2 Petr. 1:4). Dit lijkt er op te duiden dat we toch twee naturen hebben, de goddelijke en de menselijke natuur. Bovendien is in 1 Petrus 1:4 en Jacobus 3:7 het Griekse woord voor natuur ‘phusis’. Het woord kent verschillende nuances, maar de basisbetekenis is “geboorte, afkomst” (vgl. Gal. 2:15; Rom. 2:27). De tweede betekenis is “karakter” (Ef. 2:3; 2 Petr. 1:4). De derde betekenis is “natuurwet” (Rom. 2:14; 2 Petr. 1:4) en de vierde betekenis verwijst naar wat cultureel is bepaald (1 Cor. 11:14). De vijfde betekenis is “schepsel, soort”. Jacobus 3:7 past bij deze laatste betekenis, van het dierlijke schepsel die worden onderworpen aan het menselijke schepsel. Samenvattend kunnen we dan zeggen dat een christen één natuur heeft, de goddelijke natuur waaraan we deelhebben door de eenheid van onze geest en Gods Geest (1 Cor. 16:7). Onze container, ons vlees, is van het menselijke soort, onze menselijke vorm.
Er is maar Eén Persoon in het universum en alle schepselen zijn daaruit afgeleid. Wij zijn menselijke containers die door Galaten 2:20 weten dat Christus ons innerlijke Operator is. We zijn deelgenoten aan de goddelijke natuur, dat wil zeggen, aan Christus als Wet en Karakter die wordt uitgedrukt in onze menselijke soort. De goddelijke ‘phusis’ voedt (in-fuus) de menselijk ‘phusis’ om Christus tot uitdrukking te brengen (uit-fuus; ex-fuus) in onze menselijke vorm.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *