Hoe moet ik dat zien, mijn eigen geest en Gods Geest?

Vraag: Hoe moet ik dat zien, mijn eigen geest en Gods Geest?

Spr. 20:27: de geest van de mens is als een lamp des Heren.
1 Cor. 2:11: de geest van de mens die in Hem is.
Hebr. 12:9: Vader der geesten.

Antwoord: Bedankt voor je belangrijke vraag.

Er zijn zeker twee verzen waar Gods Geest en onze geest samen worden genoemd:

Wie toch onder de mensen weet, wat in een mens is, dan des mensen eigen geest, die in hem is? Zo weet ook niemand, wat in God is, dan de Geest Gods” (1 Cor. 2:11).

Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn” (Rom. 8:16).

Bij onze wedergeboorte hecht, vergroeit, of hoe je het ook noemen wilt, Gods Geest zich met onze geest en worden we een nieuw mens. 1 Corinthiërs 6:17 zegt dan dat bij die hechting we één geest worden. Het Griekse werkwoord voor ‘hechten’ in dat vers is afkomstig van het Griekse woord ‘colla’ dat ‘lijm’ betekent. Zoals twee blaadjes papier worden we aan elkaar gehecht en kunnen niet meer worden gescheiden. Het is een ‘organische’ hechting zoals de rank gehecht is aan wijnstok. In de NBG vertaling staat in 1 Corinthiërs 6:17: “één geest (met Hem)”. “met Hem” staat niet in de Griekse tekst, en daarom worden wij bij de wedergeboorte “één geest”.

Onze diepste identiteit, onze werkelijke IK is in onze geest, want met Christus ben IK gekruisigd in de geest. Heb ik dan geen ik meer? Jawel, want Galaten 2:20 zegt “… en toch leef ik …” Christus is nu mijn ik geworden en mijn ik is nu Christus. In deze eenheid zijn beiden als één aanwezig. Het is niet zo dat Christus alleen in mijn geest is en ik niet meer. Christus vult niet als een aparte entiteit mijn geest. Christus vervangt ons niet in die zin dat wij er niet meer bij zijn betrokken. Wij zijn één geest (1 Cor. 6:17) en zowel Christus als ik zijn een vitaal deel van die eenheid. Dat betekent echter niet dat wij ooit Christus worden. God deed jou opstaan uit de dood, als “eenheid” of “vereniging” met Christus. Jullie BEIDEN zijn ÉÉN geest. Zowel Christus als jij staan op de voorgrond en Christus leeft in jou, ALS jou.

Twee ALS één” is de sleutel tot het christelijke leven. Niet Christus in mij of Christus door mij of Christus in plaats van mij of Christus als aparte entiteit in mij, maar Christus ALS mij. Ik ben nog steeds dezelfde persoon, in hetzelfde lichaam en met dezelfde psychische kenmerken. Door de wedergeboorte ontvingen wij een nieuwe geest, de nieuwe mens, en verdween de oude geest, de oude mens, in het graf (niet positioneel, maar in werkelijkheid). Ik heb dan nieuw leven in mij en DAT is Christus. Nu is Hij alles geworden wie ik moet zijn. Hij is mij, terwijl we toch te onderscheiden zijn maar niet te scheiden zijn. Alles van de Wijnstok is nu van de rank. 1 Corinthiërs 1:30 zegt dat Christus onze heiliging is geworden. We streven dus niet naar heiligheid maar gaan ervan uit. Dat kan je nooit zeggen wanneer je Christus als een aparte entiteit in je ziet.

We meten ons christelijke leven daarom niet af wat we wat we voor ogen zien in onze ziel. Wij zijn één met Christus en Hij is ons geduld. Natuurlijk, want ik ben één met Hem, en al het Zijne is het mijne. Ik rust dus in Zijn geduld. Wanneer ik me ongeduldig voel in mijn ziel, wat doe ik eraan? Ik zoek mijn gelijkvormigheid aan Christus niet in mijn ziel, want “al onze (eigen)gerechtigheden zijn als een bezoedeld kleed” (Jes. 64:6).

2 Corinthiërs 4:18 zegt: “daar wij niet zien op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig.”

Ons zichtbare leven kunnen we vergelijken met de klepel of slinger van een klok, met dit verschil dat in ons leven de klepel meestal onregelmatiger en heftiger heen en weer kan gaan. Wanneer we deze klepel toepassen op 2 Corinthiërs 4:18, krijgen we de volgende illustratie:

Het tijdelijke en zichtbare verwijst naar onze ziel en lichaam, hoe wij als kwetsbare mensen in deze wereld leven. Veel mensen zoeken hun identiteit en status in hun zichtbare en tijdelijke omgeving. Prestaties, positie en populariteit zijn dan belangrijke factoren voor mensen om hun identiteit te bepalen en te versterken. Dit en alle innerlijke strijd zijn allemaal oorzaken dat de slinger voortdurend heftig uitslaat uit door al die zaken die dagelijks in ons leven afspelen.

Een gelovige echter leeft niet meer onder de streep vanuit de boom van de kennis van goed en kwaad, en waar alles in beweging en beroering is. Hij of zij leeft boven de lijn, vanuit de boom des levens. Het is het leven van de rank aan de Wijnstok. De waarheid dat wij als een rank aan de Wijnstok zijn verbonden, moet als een openbaring tot ons komen en heel ons christelijke leven vernieuwen.

Een prachtig voorbeeld vormt het leven van Hudson Taylor. Hoewel hij vele jaren op het zendingsveld in China de Heer had gediend, ervoer hij in toenemende mate de last van zijn bediening. Iedere dag had een lange lijst met zonden, falen en gebrek aan kracht. Hij besefte dat in Christus alles was wie hij was, maar de vraag was hoe dit verwezenlijkt moet worden. Het antwoord kwam uiteindelijk door een brief van een medezendeling, die onder meer schreef: “Hoe kan ons geloof versterkt worden? Niet door geloof na te jagen, maar door te rusten in de Getrouwe”. In een brief van 17 oktober 1869 aan zijn zuster, schreef Hudson Taylor het volgende over het licht dat hij had ontvangen:

Terwijl ik las, zag ik het allemaal voor mij! Als wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw. Ik keek naar Jezus en zag (en toen ik het zag, o wat een blijdschap kwam er toen!) dat Hij gezegd had: “Ik zal u nooit verlaten.” Ja, daar is rust, dacht ik. Ik heb tevergeefs geprobeerd in Hem te rusten. Ik zal het niet langer proberen. Hij heeft immers beloofd, bij mij te blijven – mij nooit te verlaten of te begeven? En dat zal Hij nooit doen.

Maar dit was nog niet alles wat Hij mij liet zien. Nog niet de helft zelfs. Toen ik dacht over de wijnstok en de ranken, kwam er een zee van licht regelrecht in mijn hart! Wat een grote vergissing leek het nu, dat ik het sap, de volheid uit Hem had willen trekken. Nu zag ik niet alleen, dat Jezus mij nooit zou verlaten, maar dat ik een deel was van Zijn lichaam, van Zijn vlees en van Zijn beenderen.

En de wijnstok, besef ik nu, is niet alleen de wortel, maar alles – wortel, stam, takken, twijgen, bladeren, bloemen, vruchten; en Jezus is dàt niet alleen, Hij is de grond en de zonneschijn, de lucht en de regen en tienduizend keer meer dan wij ooit gedroomd en gewenst hebben. Wat een geweldige vreugde om deze waarheid te zien!

Het is een heerlijk iets, werkelijk één te zijn met de opgestane en verheerlijkte Heiland; een lid te zijn van Christus!. Denk eens aan, wat dat allemaal inhoudt. Kan Christus rijk zijn en ik arm?

Het heerlijkste van alles, wanneer men tenminste mag vergelijken, is de rust, die deze volledige eenwording met Christus met zich meebrengt. Ik ben over niets meer bezorgd, wanneer ik dit bedenk, want Hij is bij machte, dat weet ik, om Zijn wil te volvoeren en Zijn wil is mij wil.

Ik voel en weet nu, dat het oude voorbijgegaan is, ik ben nog evenzeer als altijd tot zondigen in staat, maar Christus is nu zó werkelijk gemaakt als nog nooit te voren. Hij kan niet zondigen en Hij kan mij ervan weerhouden te zondigen. Ik kan niet zeggen (het spijt mij dit te moeten bekennen), dat ik sinds ik dit licht gezien heb, niet meer gezondigd heb; maar ik voel nu, dat het niet nodig was geweest dit te doen. Bovendien – nu ik meer in het licht wandel – is mijn geweten gevoeliger geworden; ik merk de zonde meteen op en kan hem belijden en vergeving krijgen; en de vrede en blijdschap (met nederigheid) worden meteen hersteld. Er is maar één uitzondering geweest, toen enkele uren lang de vrede en de blijdschap niet terugkwamen, doordat ik, zoals ik heb moeten leren, verzuimd had, alles te belijden en getracht had mijzelf te rechtvaardigen.

Ik zie nu, dat het geloof de vaste grond is van de dingen, die men hoopt en niet slechts een zwakke schaduw ervan. Het is niet minder dan gezicht, maar meer. Gezicht laat ons alleen de uiterlijke verschijningsvormen van de dingen zien; geloof geeft het wezenlijke. Op deze vaste grond kan men leunen en met deze werkelijkheid kan men zich voeden. Als Christus door het geloof in ons hart woont (dat wil zeggen, dat Zijn belofte waar gemaakt wordt), dàt is kracht, dàt is leven.

De werkelijkheid van deze ervaring werd meteen tot het uiterste beproefd door financiële problemen en ongerechtvaardigde kritiek. Hij schreef in die tijd in een brief:

Grotere en ernstiger moeilijker dan ik ooit gehad heb, stormen op mij af. De laatste maanden hebben een spanning zonder weerga gebracht en ik ben voortdurend op reis geweest, maar ik heb meer innerlijke rust en geestelijke ontspanning in de Heer. Wanneer wij tevreden zijn met Zijn wil en Zijn weg, dan is er rust.

Kortom, een verdere stap in ons geestelijk leven komt wanneer we duidelijk de Geest-geest, de Christus-ik relatie, in de geest beginnen te zien, en dat de ziel tot uitdrukking brengt wat in de geest is. In de ziel zoeken we geen gelijkvormigheid aan Christus, maar we gaan uit van onze volmaaktheid in de geest waarop we staan door het geloof. Alles wat ons onder de lijn wil trekken, eist een woord van geloof om te staan in geloof op het onzienlijke en eeuwige. Dat is de praktische uitwerking van het feit dat we in de geest in de hemelse gewesten zitten (Eng. ascension). Er is dus opstanding en ascentie. Opstanding verwijst naar het nieuwe leven vanuit de dood, ascentie betekent dat we leven door de positie van de geest in de hemelse gewesten door het onzichtbare en eeuwige.

Roel

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *