VOOR ― IN ― MET ― ALS

Er zijn vier facetten in het christelijke leven, die ook als vier fasen gezien kunnen worden waarmee ieder christen vroeg of laat mee te maken heeft.

VOOR
God echter bewijst zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is” (Rom. 5:8).

Het eerste facet is dat Christus VOOR ONS is gestorven. Ieder gelovige wordt voor zijn of haar bekering bij dit facet bepaald, want Christus is voor zondaren gestorven. Dit werk van Christus bepaalt de zondaar om dit werk te aanvaarden of niet. De twee wegen die daar het gevolg van zijn, omschrijft Jezus in Johannes 3:16:” Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.”

Het eerste facet bepaalt onze eeuwig bestemming, namelijk eeuwig leven of eeuwige verlorenheid. De keus is aan ons.

IN
En indien de Geest van Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij, die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest, die in u woont” (Rom. 8:11).

Wanneer we aanvaard hebben dat Christus voor ons is gestorven, komt Christus, door de Persoon van de Heilige Geest, IN ONS wonen. Veel gelovigen hebben Christus aanvaard op basis van Openbaring 3:20 dat zegt dat Christus binnenkomt op onze uitnodiging en op de troon van ons leven gaat zitten en maaltijd met ons houdt. Hoewel Openbaring 3:20 is geschreven aan gelovigen en niet aan zondaars, denken we in deze fase als jonge gelovigen dat Christus en ik aparte personen zijn en wij zijn hulp nodig hebben om als christen te leven. We leven echter niet door de hulp van Christus om het christelijke leven te leiden, maar door “Christus die ons leven is” (Col. 3:4).

MET
Indien wij dan MET CHRISTUS gestorven zijn, geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven” (Rom. 6:8).

Alle christenen weten dat Christus voor hen is gestorven, maar weinig christenen weten dat zij MET Christus zijn gestorven. Wanneer wij MET Christus zijn gestorven, ZIJN wij ook gestorven en een gestorven mens kan het christelijke leven niet leven. In onze dood met Christus zijn wij voor de zonde en voor de wet gestorven (Rom. 6:11; Gal. 2:19). Echter, na onze dood MET HEM, staan wij ook op MET HEM, en is Hij ons leven. Hij geeft ons niet leven, maar Hij IS ons leven. Door onze opstanding MET HEM, zijn wij niet onafhankelijke personen die hun eigen daden beginnen. Wij leven vanuit het feit dat Gods Geest en mijn geest nu als twee gekoppelde magneten zijn waarbij Hij en ik hetzelfde magnetische veld hebben. Christus is het licht van de wereld, en daarom ben ik het ook. Hij is mij GEWORDEN (vgl. 1 Cor. 1:30). Wij zijn organisch één, één plant met Hem (Joh. 15:1).

ALS
Want ZOALS Hij is, zijn ook wij in deze wereld” (1 Joh. 4:17b).

Wanneer we het vorige facet begrijpen, is dit facet niet moeilijk te zien.

Dit vers zegt dat wij (ZO)ALS Christus zijn in deze wereld ― Christus ALS ons. Dit vers dicht het gat dat Christus voor ons is gestorven, wij met Hem zijn gestorven en opgestaan en Hij in ons woont. Dit is het facet waar God naar toe werkt met een ieder van ons, dat we de paradox van onze twee-eenheid met Hem zien ― twee als één. We zijn te onderscheiden maar niet te scheiden van Hem. Zoals Jezus zei, dat wie Hem gezien had, de Vader had gezien, kunnen en MOETEN ook wij zeggen dat wie ons ziet, Jezus ziet. Zo leven wij in deze wereld.

Veel gelovigen hebben echter moeite met de uitdrukking ‘Christus ALS ons’. “Wie zijn wij om te zeggen dat Christus ALS ons is?”, is de reactie. “Je denkt zeker dat je volmaakt bent!” Het is echter een feit dat Johannes deze uitdrukking gebruikt en wanneer we daar moeite mee hebben, hebben we een probleem met de Schrift, dus met Christus.

Waaruit komt die reactie voort? Daar kunnen verschillende redenen voor zijn.

Ten eerste, we zien onszelf nog steeds als personen naast God en we zijn zo gericht op ons gedrag dat dit onze identiteit bepaalt en we vergeten dat we met Christus zijn gestorven. Wanneer ik dan op mijzelf zie, verlies ik de strijd. Zo verging het Paulus in Romeinen 7. Hij wist dat hij verlost was (Rom. 5-6), maar hij wilde toch als een hernieuwde verplichting de wet houden en niet begeren (Rom. 7). De wet echter is altijd ik tegenover Gods eis en daar liep Paulus op stuk omdat hij tot het besef moest komen dat Christus ALS hem moest leven, en niet Paulus VOOR Christus als een aparte entiteit.

Ten tweede, we denken dat we nog een oude mens hebben, naast de nieuwe mens, die we onder de duim moeten houden. We leven nog door de boom van de kennis van goed en kwaad (‘dit is wel van Christus en dit niet’) en niet door de boom van het leven. Dan denken we dat we nog steeds een sluw egootje hebben dat de kop kan opsteken in plaats dat we zien dat het is “niet meer mijn ik maar Christus die leeft in mij” (Gal. 2:20).

Ten derde, we denken dat we meer als Jezus moeten worden (en niet dat het nu al Christus ALS mij is) en ons daar op moeten toeleggen.

Wanneer we zien dat Christus ALS ons leeft, zien we en willen we nooit meer een onderscheid zien tussen Hem en mij, want Hij is ons leven in een organische eenheid. Alleen wanneer we in de illusie leven dat ik VOOR Hem moeten leven in een tweeheid, heeft de zonde van buitenaf een opening in ons leven (vgl. Rom. 7:20; Gen. 4:7b).

Eén gedachte over “VOOR ― IN ― MET ― ALS”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *