Zijn Zoon in Mij te Openbaren

Maar toen het Hem, die mij van de schoot mijner moeder aan afgezonderd en door zijn genade geroepen heeft, behaagd had zijn Zoon in mij te openbaren (Gal. 1:15).

Dit vers en Galaten 2:20 zijn sleutelverzen in deze de brief. Galaten 1:15 zou in gouden letters gedrukt moeten worden en we uit ons hoofd moeten kennen. “Maar toen” markeert de verandering van het Jodendom naar Christus in hem. Het was een verandering van het uiterlijke naar het innerlijke. Die innerlijke verandering onderscheidde Paulus van de gemeente in Jeruzalem en daarom is Paulus onze gids en niet de moedergemeente in Jeruzalem.

In Adam was heel ons leven uiterlijk en kenmerkte zich door de boom van de kennis van goed en kwaad. Alles wogen we af naar ons gedrag: Is dit goed of kwaad? Het is duidelijk dat we dit gedrag nog helemaal niet hebben afgelegd nadat we tot geloof zijn gekomen. We meten alles nog af naar ons denken en naar wat we voor ogen zien. We proberen te leven naar Gods wil, willen door hem gebruikt worden en een impact maken voor zijn koninkrijk. Hoewel we zijn verlost uit Egypte, dolen we nog rond in de woestijn waar we denken dat we zijn geboden en wetten kunnen naleven. We leven in feite in Romeinen 7 en zijn nog niet tot het besef gekomen dat we zonder Hem niets kunnen doen (vgl. Joh. 15:5). We zijn nog niet tot het punt gekomen dat het leven uit de Heer een leven is naar de boom van het leven en niet naar de boom van kennis van goed en kwaad. Het doel van beide bomen is om vrucht te dragen. De boom van de kennis van goed en kwaad gaat terug naar onze inspanning om de Tora van God te houden. De boom van het leven is het leven van Christus Zelf die vrucht in ons draagt.

We weten allemaal dat leven actie is. Wanneer we dan lezen in Hebreeën dat we Gods rust moeten ingaan, denken we al gauw aan inactiviteit. Maar Gods rust is niet rust van werk of na werk, maar het is Gods rust in het werk. God is een God van actie die vanuit blijdschap en rust in het werk heerst over Zijn schepping. Hetzelfde geldt voor ons, want dezelfde Persoon die over dit universum heerst, woont in ons door Zijn Geest. Het leven in Christus kenmerkt zich dan ook door innerlijke blijdschap. Onze rust in Hem is daarom het uitgangspunt in onze wandel en bediening. Het is echter niet onze geschiktheid of bekwaamheid, niet de bekwaamheid om zijn wetten na te leven, maar de uiting van de inwonende Christus is onze bekwaamheid en Gods werk (2 Cor. 3:5). Deze inwoning is een organische verbinding waarbij wij één geest zijn geworden met Christus (1 Cor. 6:17). Zijn wil is mijn wil en mijn wil is Zijn wil, zoals ook de wil van de Wijnstok de wil is van de rank. Door Zijn genade heeft Hij ons opgewekt als een nieuwe jou en een nieuwe mij. Hij is ons verborgen leven, het Leven achter het leven, want het geheimenis van het evangelie is dat Christus woning in ons heeft gemaakt en wij helemaal wij zijn en wij als Hem zijn en dit alles in de Geest. Zo zijn we vaten, tempels en wijnstokken geworden en één geworden met Jezus zoals ook Jezus één was met de Vader. In deze geweldige eenheid, waarin wij Christus niet gedeeltelijk hebben ontvangen, maar in al Zijn volheid (Col. 2:9,10), heeft de wet van Mozes geen functie meer dan ons te herinneren dat de wet een schaduw was van het komende. Wie dit geheimenis ziet, ziet wat veel engelen hebben begeerd te zien. Het is ons gegeven in genade door openbaring: de Zoon in ons als ons leven.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *