Als Wij Zeggen dat wij Geen Zonde Hebben

door Roel Velema

“Maar als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde. Als wij zeggen dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en is de waarheid niet in ons.  Als wij onze zonden belijden: Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid. Als wij zeggen dat wij niet gezondigd hebben, maken wij Hem tot leugenaar en is Zijn woord niet in ons” (1 Joh. 1:7-10).

De Bijbel maakt een onderscheid tussen zonde en zonden. Zonde is de slavendrijver, de macht die mij tot zonden dringt. De zonde is de fabriek, de zonden zijn de producten. De slavendrijver drijft de slaaf tot zonden, tot zondige daden, omdat de geest van de ongelovige één is met de geest van de boze. Zo’n mens is de oude mens. Romeinen 6 zegt dat de oude mens is meegekruisigd met Christus, dus de eenheid tussen onze geest en de geest van de boze is verbroken op Golgotha. In onze opstanding zijn we dan één geest geworden met Gods Geest en tot een nieuwe mens geworden (vgl. 1 Cor. 6:17). We prijzen daarom God dat de zonde als macht niet meer in ons woont. Wij kunnen wel zondigen maar niet naar de oude mens, want die bestaat niet meer.

De uitdrukking “als wij zeggen dat wij geen zonde hebben”, leidt tot de vraag of hier bedoeld wordt de zonde als macht en/of zonden als product. Dat is een belangrijke vraag die niet moeilijk is te beantwoorden. Romeinen 6 zegt dat het probleem van de zonde als macht is opgelost. Wij zijn voor de zonde gestorven en daarom is er geen verbinding meer tussen onze geest en de zondemacht. Wij zijn vrij in een wereld waar de zonde nog springlevend is. Ook kan de zonde niet meer permanent in ons vlees wonen, want die fungeert nu als tempel van de Heilige Geest. Bovendien bevestigt de context van 1 Joh. 1:7-10 dat het hier niet gaat om de zonde als macht, maar zonden waarvoor het bloed nodig is. Zonden komen weliswaar voort uit de zonde, maar de zonde is buitengeworpen en ligt de poort om (tijdelijk) binnen te komen (Gen 4:7b) als een virus. Ik kan verleid worden tot zonden, maar dit tast nooit mijn diepste identiteit aan in de geest. Het is de zonde die ik tijdelijk heb toegelaten, die het nu bewerkt (Rom. 7:17). Daarom hebben we het bloed steeds nodig. We kunnen zondigen, maar hoeven niet te zondigen. En als we zondigen, moeten we het niet ontkennen, maar belijden.

Kortom, wij misleiden onszelf als we zeggen dat we niet meer kunnen zondigen. Maar wij misleiden onszelf ook wanneer we zeggen dat de zonde als macht nog permanent in ons woont en er nog een strijd gaande is tussen de oude mens en de nieuwe mens. Wij maken Hem dan tot een leugenaar en de waarheid is niet in ons. We zijn nog niet tot het volle besef gekomen van het volbrachte werk van Jezus in ons.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *