Is de Wet nodig om geleid te worden door de Heilige Geest?

Het Oude Verbond en het Nieuwe Verbond huizen NIET in hetzelfde gebouw. Er is het huis van Mozes en het huis van Christus, ieder met zijn eigen wet (Hebr. 3:1-6). De wet van Mozes is de letter en de wet van Christus is Christus Zelf. We zijn gestorven voor de wet om te ooit maar te shoppen in een ander ‘geestelijk’ huis. “Is de Wet nodig om geleid te worden door de Heilige Geest?” verder lezen

Zegen en Vloek

“Zegen en vloek” zijn in het bijzonder gerelateerd aan de wet. “Als je dit doet, ben je gezegend; als je dit niet doet, ben je vervloekt” (vgl. Deut. 11:26). Het kruis en de zegen van het Nieuwe Verbond heeft ons hiervan verlost. Heeft het kruis niet alle vloek van ons weggenomen omdat Christus ons uit de sfeer van de vervloeking heeft verlost? Wij leven in Christus. Kan Christus een vloek over Zich heen halen? Wij zijn een deel van Hem.

Persoonlijk heb ik geen greintje sympathie voor de vervloeking van het voorgeslacht waarvan we als christen nog verlost moeten worden. Het is puur ongeloof. Met Christus zijn we gestorven en daarom ook dood voor elke vervloeking van het voorgeslacht. Zoals de overste van de wereld niets aan Christus had (Joh. 14:30), heeft Hij ook niets aan ons, omdat wij één zijn met Christus (Joh. 10:30; 17:21).

Veel van de vragen die we maar stellen, zoals “Mag ik als christen dit wel of niet?”, is in feite kleutergepraat, omdat we nog niet onze organische verbondenheid met Hem zien. Niet dat Hij ons als apart Persoon ons leven geeft of ons helpt het christelijke leven te leven. HIJ IS mijn leven, ja, Hij leeft Zijn leven ALS mij in mijn zwakke menselijke vorm. Hij DOET ons in Zijn wegen wandelen (Ezech. 36:27). In die sfeer kan vervloeking niet bestaan en dat nemen we het dan ook niet als de duivel ons dat probeert wijs te maken.

Jacobus 3:10-12 zegt dat uit de mond zegening en vervloeking kan voortkomen. Deze kunnen beiden nooit uit dezelfde bron voortkomen, zegt Jacobus. Zegen is de uiting van de nieuwe mens. Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek van de wet (Gal. 3:13) en bestaat de oude mens niet meer. We hebben maar één zuivere bron en daarom laten we ons niet opnieuw een slavenjuk opleggen, ook niet van enige zogenaamde vloek ((Gal. 5:1).

Verkocht onder de Zonde

Paulus zegt dat hij “verkocht is onder de zonde” (Rom. 7:14). Dit betekent niets anders dat hij onder de slavernij van de zonde staat. We zouden hieruit kunnen afleiden dat dit de toestand was van Paulus voordat hij tot geloof was gekomen, want nu wij zijn vrijgemaakt van de zonde, zijn we niet langer slaven van de zonde (vgl. Rom. 6:17,18). Maar dat is één kant van het verhaal. De andere kant is dat wij onszelf nog steeds open kunnen stellen voor de zonde (Rom. 6:12), weliswaar niet als een innerlijke macht, maar als een belager die aan de deur ligt (Gen. 4:7). Wanneer wij ons ten dienste stellen van de zonde, gehoorzamen wij de zonde ook als slaven (Rom. 6:16). “Verkocht onder de zonde” kan daarom ook op een gelovige betrekking hebben wanneer hij of zij de zonde binnenlaat. Er zijn echter meer aanwijzingen dat het hier om een gelovige gaat.

Ten eerste zien we dat vanaf vers 14 Paulus in de tegenwoordige tijd spreekt over zichzelf. Hij gebruikt de tegenwoordige tijd hier om het dramatische effect te verhogen. Een voorbeeld vinden we in de zin “Wil ik snel naar je toekomen, is mijn fiets gestolen!” De tegenwoordige tijd is daarom niet beperkt tot een beschrijving die samenvalt met het spreekmoment. Een tegenwoordige tijd kan verwijzen naar het verleden, heden, maar ook naar de toekomst: “Volgende week laat ik je weten of ik kan”. Wanneer Paulus dan ook zegt dat hij vlees is en verkocht is onder de zonde, hoeft dit niet per se een statische toestand aan te geven die heel zijn leven geldt. In Romeinen 7 krijgt het daarom de betekenis: “Ik was dood voor de wet, maar nam de wet toch als norm aan om naar te leven, laat ik toch weer vlees zijn en een slaaf van de zonde worden en me een ellendig mens weten!

 

Hoe kan het dan toch dat ik zondig?

Vraag:
Roel, ik worstel nogal met het feit dat als ik één met Christus ben, en mijn ‘ik’ dus niet meer leeft … Hoe kan het dan toch dat ik zondig? Blijft er dan toch een deeltje ‘ik’ over?  
Hopelijk wil je me antwoorden … ik worstel hier erg mee … ik bedoel – ik kan Jezus toch niet de schuld geven van mijn fouten en domme keuzes? Hoe moet ik hier dan toch goed mee omgaan? “Hoe kan het dan toch dat ik zondig?” verder lezen